• Schoolgebouwen moeten duurzamer
02 september 2013
02 sept 2013

Schoolgebouwen moeten duurzamer

Voorzitter Maxime Verhagen van Bouwend Nederland stelde recent, met een onderzoek van het EIB in de hand, dat veel schoolgebouwen in ons land een stuk duurzamer kunnen. Sterker nog: in het renoveren en verduurzamen van die scholen en het realiseren van vervangende nieuwbouw, zou voor de Nederlandse bouwsector heel wat werk te vinden moeten zijn. Een rondgang langs diverse betrokkenen leert dat er dan wél geld beschikbaar moet zijn.

Bij VOS/ABB, de vereniging voor openbare en algemeen toegankelijke scholen, kan men Verhagen geen ongelijk geven. ‘Wij hebben al heel lang geconstateerd dat er structureel 300 miljoen euro per jaar te weinig wordt uitgegeven aan scholenbouw’, stelt directeur Ritske van der Veen. ‘Dat geld is er wel, maar het is niet geoormerkt. Het gaat naar de gemeenten en die sparen het op, of geven het uit aan andere doeleinden. Dat is zuur voor het onderwijs.’
Door de politiek wordt dit probleem wel onderkend. Daarom wordt per 1 januari 2015 een deel van het geld doorgecentraliseerd. Het buitenonderhoud valt met ingang van die datum onder de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Van der Veen ziet een probleem: ‘Nu bouwen wordt lastig. Daar komt immers een langdurig traject bij kijken en vanaf 1 januari 2015 zijn de scholen zélf verantwoordelijk. Een aantal gemeenten heeft scholenbouw ook al wel naar voren gehaald. En misschien geven gemeenten het voor onderwijshuisvesting bedoelde geld wel aan andere bouwprojecten uit, aan wegenbouw bijvoorbeeld. Wat Verhagen zegt is niet nieuw. Wij konden al in 2009 melden dat gemeenten overwogen om scholenbouwplannen naar voren te halen, om zo de gevolgen van de crisis voor de bouwsector te verzachten.’
De VOS/ABB-directeur beseft dat veel schoolgebouwen niet in optimale staat verkeren. ‘Maar er gebeurt wel degelijk iets. Zo is er enorm gereageerd op onze pilot energiereductie, die we samen met Grontmij hebben opgestart. Het klopt zeker dat veel scholen allesbehalve energiezuinig zijn. Daarom pleiten wij voor een goede nulmeting. Het is van belang dat het overheidsgeld eerlijk verdeeld wordt. Je kunt wel doorcentraliseren, maar je schiet er niets mee op wanneer het geld dan ook bij de schoolbesturen in de grote pot gaat.’

Normbedragen
Ook bij vastgoedspecialist Hevo herkent men zich wel in het beeld wat in het EBI-onderzoek geschetst wordt. ‘Wij hadden twee jaar geleden al een adviseur bij Nova in de uitzending , om te praten over de slechte staat van de basisscholen’, vertelt sectordirecteur Onderwijs & Sport Mike van Schoonderwalt. Hij leverde zelf namens Hevo input voor het onderzoek, dat voor hem dus weinig verrassingen bevatte. Van Schoonderwalt signaleert in de dagelijkse praktijk enkele flinke obstakels. ‘In het primair en voortgezet onderwijs is sprake van normbedragen voor investeringen. Die bedragen worden dan wel geïndexeerd maar er worden ook méér en hogere eisen gesteld. Wij kunnen nu fatsoenlijke scholen bouwen omdat de markt is zoals die is: mes- en messcherp.’
Er is op het gebied van onderwijshuisvesting sprake van een conflict of interest, zo stelt de Hevo-sectordirecteur vast. ‘De gemeente is verantwoordelijk voor de investering, maar de school voor het onderhoud en de exploitatie. De revenuen gaan naar de school. Dan is het voor een gemeente niet interessant om te investeren.’ Van Schoonderwalt kan zich niet onttrekken aan het gevoel dat veel gemeenten derhalve voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. ‘Leerlingen brengen zovéél tijd door in het onderwijs. Mag dat dan ook alsjeblieft een beetje behoorlijk zijn? Dat is de fundamentele vraag: steken we genoeg geld in de kwaliteit van onderwijshuisvesting?’ De vraag stellen, is hem eigenlijk meteen ook beantwoorden. ‘Als je dingen goed wilt doen, komt je structureel 30 procent tekort’, klinkt het stellig.

Concessies
Bij Hevo signaleert men dat er concessies worden gedaan in schoolgebouwen. ‘Het gebouw is in orde, de verlichting is oké maar bijvoorbeeld het binnenklimaat wordt een probleem’, weet Van Schoonderwalt. ‘Datzelfde geldt voor de ict-voorzieningen, en voor de flexibiliteit van het gebouw. Een flexibel gebouw is nu eenmaal duurder dan een star gebouw. Het wemelt in een eerste ontwerp vaak van de schuifwanden.’ Hij spreekt uit ervaring, wanneer hij stelt dat het ‘in een school uit de jaren 70, 80 vaak stinkt. Dat is niet meer acceptabel.’ Hevo heeft dan ook het boekje ‘Duurzame kwaliteitsrichtlijn huisvesting primair onderwijs’ uitgebracht. ‘De VNG heeft de normkosten voor scholen bepaald maar de kwaliteit waaraan die school moet voldoen is niet helder. In dat boekje is in lekentaal verwoord wat in onze ogen de minimum kwaliteit voor een school is. Dat wordt vaak verwerkt in een Programma van Eisen.’
Bij het schrijven van zo’n Programma van Eisen gaat het er volgens Van Schoonderwalt om om ervoor te zorgen dat de functionaliteit niét omlaag gaat, maar het totaal aan vierkante meters wél. ‘Je moet dus ruimten dubbel gaan gebruiken, proberen zo min mogelijk leegstand te hebben. Kijk nou eens naar hoe je een gebouw efficiënter kunt gebruiken’, zo breekt hij een lans. Duurzame aspecten komen daarbij moeilijk van de grond, zo leert de ervaring. ‘Wij zijn ooit heel enthousiast begonnen met een exploitatie-optimiser.
Die moest duurzaamheidacties met hun terugverdientijden in kaart gaan brengen. Dat is een behoorlijke desillusie geworden. Maar heel weinig duurzaamheidsmaatregelen verdienen zich op economisch verantwoorde wijze terug. Er wordt meer voor wko of zonnepanelen gekozen om een statement te maken, dan om bedrijfseconomische redenen.’

Spanningsveld
Toch zijn er voorbeelden genoeg van gemeenten, die wél de geldbuidel hebben getrokken voor schoolgebouwen. ‘De Theresiaschool in Bilthoven bijvoorbeeld. Daar neem ik klanten met alle plezier mee naartoe. Of de Havo Notre Dame des Anges in Ubbergen. En bij het ’s Graveland College in Schiedam heeft de gemeente zelfs een miljoen extra geïnvesteerd in duurzaamheid. Dat wordt echt een koploper in onderwijsland. Je kunt ook niet stellen dat alle gemeenten te zuinig zijn. Er is wél een natuurlijk spanningsveld tussen school en gemeente. Je ziet nu in toenemende mate doorcentralisatie: het doorsluizen van geld voor onderhoud naar de schoolbesturen. De meningen daarover zijn verdeeld, maar dan kun je als school ten minste beleid voeren op je huisvesting. Nee, de roep om meer investeringen in onderwijs is zeker niet nieuw. Dit is het zoveelste signaal op een rij.’
Een schoolvoorbeeld van hoe het wél kan, is te vinden in Breda. Daar namen de leerlingen van De Nassau, een open christelijke school voor tto, gymnasium, atheneum, havo en mavo, bij het begin van dit schooljaar hun intrek in een fraai gerenoveerd én uitgebreid gebouw. ‘Breda is de eerste grote gemeente in het land die onderwijsgelden heeft doorgecentraliseerd, in ons geval aan de corporatie Voortgezet Onderwijs’, legt plaatsvervangend rector Rien Kotylac uit. Hij fungeerde tevens als bouwpastor tijdens de werkzaamheden op zijn school, die, verdeeld over twee locaties, zo’n 1650 leerlingen herbergt. ‘Dit gebouw is van 1982. We hadden veel te weinig lokalen. Ook de algehele staat van het gebouw hield niet over.’ Met een bijna twee jaar durende verbouwing werd de bestaande bouw echter grondig aangepakt én werd bovendien een nieuwe vleugel bijgebouwd.

Verlichting
Eén van de zaken die men op De Nassau aanpakte, was de verlichting. ‘We hadden hier een torenhoge energierekening’, stelt Kotylac. ‘Alle oude verlichting is vervangen door T5, met aanwezigheidsdetectie en daglichtregeling. Dat scheelt zometeen de helft in de exploitatie.’
De bestaande bouw werd nét niet gestript maar wel fors onder handen genomen. Zo werden de grijze muren wit geschilderd, werden de plafonds vernieuwd en de kozijnen aangepakt. De huiskleuren van De Nassau – rood, wit en blauw – komen overal in de school prominent naar voren. De kosten voor de renovatie werden deels gedrukt door zelfwerkzaamheid. Zo bracht de eigen systeembeheerder, samen met een groep oudejaars leerlingen, de datavoorziening op niveau. En de facilitaire dienst zorgde ervoor dat de lokalen volledig werden ontmanteld. ‘De betrokkenheid is hoog. Er is de hier hele vakantie door gewerkt’, complimenteert Kotylac zijn medewerkers. De nieuwe vleugel, in tegenstelling tot de bestaande bouw voorzien van luchtbehandeling, herbergt een aantal extra lokalen. Daarnaast is er de fraaie personeelskamer ondergebracht, is er plek voor een royale kantine én beschikt De Nassau over een prachtig auditorium, met 300 zitplaatsen. In de nieuwbouw heeft ook de kunstcollectie van de school een plek gevonden. De stijl is in de hele school hetzelfde: witte muren, veel daglicht, interieur wat tegen een stootje kan en bijvoorbeeld op alle toiletten Dyson Airblades. De platte daken van de school zouden zich in de nabije toekomst nog kunnen lenen voor groene of witte daken, maar men heeft op De Nassau vooralsnog weinig te wensen. ‘We zijn hartstikke trots op ons gebouw’, benadrukt Kotylac. ‘We kunnen met dit schoolgebouw weer een hele tijd vooruit.’
Ton de Kort