• Gerimpelde panden krijgen face lift
24 augustus 2009
24 aug 2009

Gerimpelde panden krijgen face lift

Veel eigenaren van monumentale panden gaan er ten onrechte van uit dat verduurzamen onmogelijk is. Er zijn ook veel meer factoren waar rekening mee moet worden gehouden, zoals cultuurhistorische waardes en bouwfysica. Dat maakt verduurzamen lastiger, maar niet onmogelijk.

Voor duurzaam bouwen zijn meerdere meetinstrumenten; GreenCalc+, Leed, GPR en BREEAM NL. Deze instrumenten zijn vaak ook geschikt voor bestaande gebouwen of is er een specifieke versie hiervoor ontwikkeld zoals recentelijk BREEAM in Use NL. Voor monumenten zijn deze rekenmodellen echter niet zonder meer toepasbaar. Er zijn altijd bijzondere omstandigheden waar rekening mee moet worden gehouden, zoals cultuurhistorische waardes en de bouwfysische consequenties van ingrepen. Van standaardoplossingen is daarom nooit sprake.
In opdracht van Stichting Bouwresearch (SBR) werkte ingenieur Birgit Dulski, consultant van NIBE (Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie) en researcher bij het Center for Sustainability (CfS) van Nyenrode, mee aan een speciaal handboek duurzame monumentenzorg. Doel was om zoveel mogelijk praktijkvoorbeelden te verzamelen. Hiermee wil SBR aantonen dat ook monumenten kunnen worden verduurzaamd. Daarnaast illustreren de voorbeelden in het boek met welke aspecten eigenaren rekening moeten houden en wat mogelijke oplossingen zijn.

Handboek
Het was nog wel even zoeken naar Nederlandse monumenten die de afgelopen decennia zijn verduurzaamd, al dan niet met succes. Toen de auteurs in 2002 begonnen aan het handboek dachten ze nog een paar jaar nodig te hebben voor de klus, maar het werden er uiteindelijk zes. Pas eind vorig jaar werd het handboek gepubliceerd. ‘Achteraf gezien precies op het juiste moment, want duurzaam bouwen is weer actueel’, stelt Dulski. En het handboek lijkt nu al vruchten af te werpen. Steeds meer monumenteneigenaren kloppen bij NIBE en CfS aan, al zijn het nog voornamelijk gemeenten die bezig zijn met het terugdringen van de CO2-uitstoot.
Het NIBE was destijds samen met DGMR betrokken bij de ontwikkeling van GreenCalc. Dit rekenmodel werd ontwikkeld in opdracht van de Rijksgebouwendienst die inzicht wilde hebben in de milieuprestaties en de duurzaamheid van hun gebouwen. De dienst had een voorkeur voor een systeem dat de duurzaamheid in een getal kon uitdrukken en waarin ook alle effecten meegewogen werden.
Tegenwoordig wordt met prestatieafspraken gewerkt. Daarvoor zijn allerlei rekenmodellen op de markt, die wel een weging maken. ‘Het grote voordeel daarvan is dat je voortaan zelf kan bepalen met welke maatregelen je je doel wilt bereiken. Een nadeel is wel dat er altijd criteria blijven die zijn gebaseerd op aannames. Zo gaat GreenCalc uit van een gemiddelde levensduur van maar 35 jaar voor een nieuw kantoor. Maar als een pand mooi en goed onderhouden is en als je er prettig kunt werken of wonen, kan dat leiden tot een langere levensduur. Dat soort criteria zijn echter moeilijk te vatten in rekenmodellen. Voor monumenten geldt wel dat de milieubelasting van de historische materialen al volledig is ‘afgeschreven’. In opdracht van de SBR heeft het NIBE naast het handboek ook een indicatief rekenmodel ontwikkeld dat wel specifiek is gericht op monumenten.’

Bouwfysische eigenschappen

Omdat de mogelijkheden bij monumentale panden beperkt zijn en meerdere waarden een rol spelen, gaat het bij deze renovatieprojecten altijd om maatwerk. ‘Bij monumenten staat de cultuurhistorische waarde voorop. Dat houdt in dat je authentieke raamkozijnen met enkel glas niet zomaar kunt vervangen door een kozijn met HR++-glas. Het is ook geen kwestie van isoleren en zo besparen op energiekosten. Er moet rekening worden gehouden met bouwfysische eigenschappen. Kieren en naden in monumentale panden hebben een functie. Ze zorgen voor ventilatie en voorkomen daarmee schimmelvorming. Vanuit het oogpunt van energieverbruik en comfort zijn die kieren vaak slecht. Maar kieren geven niet altijd tochthinder. Dat hangt ook af van functie en gebruik van de ruimte. Als er niet zorgvuldig mee wordt omgegaan, krijg je vochtproblemen, condens en schimmel die de eeuwenoude houten balken van de dakconstructie aantasten.’

Oplossingen die in het handboek aan bod komen, zijn bijvoorbeeld doos-in-doosconstructies, vaak uitgevoerd in houtskeletbouw of glazen dozen of een tweede gevel die inpandig worden geplaatst. Een schitterend voorbeeld vindt Dulski Slot Loevestijn. Eind vorige eeuw besloten de eigenaren het slot open te stellen voor publiek. Daarvoor moesten echter eerst aanpassingen op het gebied van comfort worden getroffen. Het grootste probleem was de verwarming. Door zijn ligging beschikte het slot niet over een gasaansluiting. Men was daarom al min of meer gedwongen om te kiezen voor een warmtepomp met een bijbehorend lage temperatuurverwarming.

‘Je wilt als museum toch al geen storende radiotoren in de zalen hebben, dus kom je uit op vloerverwarming. Maar de vraag is wat je moet doen met die mooie historische vloeren. Bij slot Loevestijn hebben ze op de oude vloer een nieuwe vloer gelegd en daartussen is de vloerverwarming aangebracht. Alles is reversibel uitgevoerd, waar de historici blij mee zijn. Je bewaart de historische elementen en je kunt ze altijd weer in ere herstellen. Bovendien is het gebruik van een warmtepomp goed voor het milieu. Het enige probleem was de regelinstallatie want daarvoor ontbrak de ruimte. Daar hebben ze een heel creatieve oplossing voor bedacht, namelijk een boekenkist. Nu wordt tijdens de rondleiding gezegd dat het een replica van de kist van Hugo de Groot is.’

Houtskeletbouw
Andere inventieve voorbeeldprojecten zijn de steenfabriek Plinthos in Schinnen waar nieuwe ruimtes zijn gemaakt door middel van houtskeletbouw en waar de oude ringoven wordt gebruikt voor de warmte- en koudeopslag. Een van de allermooiste projecten is de oude Van Nellefabriek in Rotterdam waarin ontwerpstudio’s zijn gerealiseerd. De karakteristieke glasgevel moest in tact blijven. Nu is achter de gevel een tweede gevel geplaatst en werkt de ruimte ertussen als thermische buffer. En kunnen de ontwerpers werken in een comfortabel binnenklimaat. Bij het Los Hoes, een museumboerderij in Enschede, is een nieuwe glazen zoldervloer aangebracht, zodat er geen loze ruimte verwarmd hoeft te worden en de bijzondere kapconstructie toch is te bewonderen.
Het verduurzamen van monumenten vraagt creativiteit, maar deskundigheid is net zo belangrijk. De zogenaamde ‘aanraakbaarheid’ van het monument speelt een leidende rol. Alleen specialisten kunnen duurzaamheidsmaatregelen en monumentenbehoud tegen elkaar afwegen. De voormalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RdMZ) nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), die ook bij het onderzoek was betrokken, heeft daarvoor zogenaamde waardenstellers in dienst. Dat zijn deskundigen die minimaal 150 monumenten van binnen hebben gezien. Met hun kennis zijn ze in staat tot het maken van een objectieve analyse en waardenstelling van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken in en met hun ruimtelijke omgeving.
Een niet te onderschatten obstakel is volgens Dulski de kloof tussen duurzaamheidsbeheer en monumentenzorg. ‘De duurzaamheidsmensen vinden dat er te veel regels zijn en dat er in monumentale panden niks mag. En de monumentenzorgers zijn weer bang dat belangrijke cultuurhistorische waarden verloren gaan door duurzaamheidsmaatregelen. Mijn taak is om de partijen dichter bij elkaar te brengen door vooroordelen weg te nemen en te laten zien dat we door goede samenwerking zelfs win-win-strategieën kunnen vinden. Met het handboek tonen we aan dat die twee disciplines wel goed samen gaan. Nu gaan veel monumenteneigenaren er van uit dat ze toch wel een vrijstelling krijgen. En dat ze niks mogen. Toch zie ik een kentering. Steeds meer gemeenten hebben hoge ambities als het gaat om CO2-reductie en kloppen bij ons aan. Om hier een grote slag te kunnen maken moet je de monumentale panden er wel bij betrekken. En als het eenmaal loopt, dan komt de rest vanzelf. De eigenaren moeten er oog voor krijgen. Voor alles bestaat wel een passende oplossing, maar je moet wel op zoek gaan.’
Nicole Kluijtmans


 

Om slot Loevestein, dat midden in de veertiende eeuw gesticht is bij het punt waar Maas en Waal samenkom,het hele jaar open te kunnen stellen voor publiek, is het slot grondig gerenoveerd. Er moest meer comfort komen, maar wel met materiaal dat het monumentale gebouw recht aan doet. Bovendien moest het gaan om een duurzame, energiezuinige oplossing. Volgens Ingrid Duslki is dat gelukt. Zo wordt nu de grondbemaling, die er al was om de waterstand in de slotgracht te regelen,  gebruikt voor de verwarming. Met drie warmtepompen in combinatie met vloerverwarming  worden de begane grond, de verdieping van het slot en de kruittoren constant op 17 graden gehouden. De kappen van het slot die geen publieksfunctie hebben, worden niet verwarmd en dienen als buffer. Het middeleeuwse karakter van het slot is geheel in tact gelaten. Er is een vloerwarmingssysteem gebruikt zonder hechtmiddel –  het gaat om dunne polystyreenplaten waarin de sleuven voor warmwaterleidingen lopen. Daarop is tegelvoer gelegd. In ander zalen is een eikenhouten dekvloer gelegd die zo kan worden weggehaald.

De voormalige steenfabriek Sint Jozef uit 1920 bij Schinnen dient nu als regionaal bezoekerscentrum voor milieu – en natuureducatie. Dat een gebouw met deze functie duurzaam moest worden gerestaureerd, is vanzelfsprekend. Daarbij is gebruik gemaakt van de opzet van het gebouw met respect voor cultuur, landschap en natuur. Zo hebben de natuurlijke bewoners van de steenfabriek, de uilen en de vleermuizen, een vast onderkomen in een compartiment van de gewelfde ringoven en de schoorsteen. De andere compartimenten van de oven – waar tot 1959 nog stenen in werden gebakken – zijn gebruikt voor de klimaatinstallatie, de verwarming en de koeling van het gebouw. De aangezogen buitenlucht stroomt door een deel van de ringoven en neemt daar de warmte of koude van over. Die is in de zomer zo koel dat voor de ventilatielucht geen koelunit meer nodig is. Regenwater wordt in originele waterkelders opgevangen en gebruikt voor toiletspoeling en de tuin. Via kap – die is geïsoleerd met milieuvriendelijke cellulosevlokken op houten panelen – valt er daglicht binnen. Tijdens donkere dagen wordt het pand verlicht met hoogfrequentielampen.